De machines waarmee we onszelf begrijpen
Hoe wij naar mensen en onze psychologie kijken, is altijd sterk beïnvloed door metaforen. Elke keer dat er een nieuwe, dominante technologie opkomt, gaan we niet alleen die technologie gebruiken. We gaan onszelf ermee vergelijken. De metafoor van het moment wordt, vaak ongemerkt, het model waarmee we de mens probeerden te begrijpen. En dat is voor leidinggevenden relevanter dan het misschien klinkt. Want de metafoor waarmee we naar mensen kijken, bepaalt uiteindelijk ook wat we van mensen gaan vragen.
Dat patroon waarbij metaforen bepalen hoe we kijken loopt van de vloeistoffen van de oude Grieken, via de stoommachine van Freud en de computer van de cognitieve revolutie, tot kunstmatige intelligentie vandaag. Maar bij AI gebeurt er iets dat nog niet eerder gebeurde. Daar wil ik graag met jullie naar kijken.
Maar laten we starten bij het begin.
Een korte geschiedenis van de mens-als-machine
De oudste poging om het innerlijk leven systematisch te verklaren komt van de Griekse geneeskunde. Hippocrates beschreef de mens aan de hand van vier lichaamssappen (bloed, gele gal, zwarte gal en slijm) die in de juiste balans voor gezondheid en karakter zorgden. Het was, naar de maatstaven van die tijd, de meest geavanceerde “technologie” om het lichaam te begrijpen: vloeistoffen, druk en menging. Deze humorenleer bleef meer dan achttien eeuwen dominant.
Zo’n tweeduizend jaar na Hipprocrates leverde een nieuwe technologie een nieuwe metafoor: hydraulica. In de zeventiende-eeuwse tuinen van Franse kastelen bewogen mechanische standbeelden op waterdruk. René Descartes was erdoor gefascineerd en beschreef het lichaam als een hydraulisch systeem: zenuwen als buizen waardoor “dierlijke geesten” stroomden, precies zoals waterdruk de bewegende beelden in de tuinen aandreef.
De bekendste toepassing van dit patroon is die van Sigmund Freud, aan het einde van de negentiende en begin twintigste eeuw. De stoommachine was toen de meest indrukwekkende technologie van de tijd: een systeem waarin druk wordt opgebouwd, waar je zelf geen direct zicht op hebt, maar dat wel degelijk invloed heeft en tot een explosie kan leiden als die druk niet ergens wordt afgevoerd. Freuds mens heeft als het ware een onzichtbare machinekamer waarin psychische druk wordt opgebouwd.
Midden twintigste eeuw volgde de volgende metaforische omslag: de “cognitieve revolutie”. De metafoor was nu de computer, en die bracht nieuwe woorden mee: input en output, geheugen, verwerkingscapaciteit en vooral het onderscheid tussen hardware en software. De mens kreeg een fysiek “apparaat” (het brein) en een los daarvan te bestuderen “programma” (de gedachten). Als gedachten software zijn, kun je ze in kaart brengen en herprogrammeren. Een idee dat decennia later rechtstreeks doorwerkt in bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie.
AI draait de metafoor om
De computer werd gebruikt als metafoor om de menselijke geest te begrijpen. Maar AI is juist ontwikkeld vanuit de ambitie om aspecten van menselijke intelligentie in machines na te bootsen. En vervolgens houden we het resultaat daarvan weer naast onszelf om te vragen: wat vertelt AI ons over de mens? We kijken dus in een spiegel die we gedeeltelijk naar ons eigen beeld hebben gebouwd.
Maar AI stelt nieuwe psychologische vragen
Een large language model (LLM) krijgt enorme hoeveelheden voorbeelden te zien en leert patronen waarmee het vervolgens nieuwe output kan genereren. Het heeft niet voor iedere mogelijke vraag vooraf een antwoord opgeslagen. Er ontstaat gedrag dat we niet regel voor regel in het systeem hebben geschreven. En daardoor worden oude psychologische vragen opeens opnieuw interessant.
Hoeveel van menselijk denken bestaat eigenlijk uit patroonherkenning? Hoeveel van wat wij creativiteit noemen is het opnieuw combineren van bestaande elementen? Hoeveel kennis zit expliciet in ons hoofd en hoeveel zit impliciet verscholen in aangeleerde patronen? Hoe belangrijk is taal voor wat wij denken noemen? Wat is begrijpen eigenlijk? Kun je intelligent gedrag vertonen zonder de wereld te ervaren zoals een mens dat doet?
De overgang naar AI als volgende metafoor heeft ook een ongemakkelijk vervolg. Welke onderdelen van wat wij altijd als uniek menselijk beschouwden, blijken helemaal niet uniek menselijk te zijn? Of nog scherper gesteld. Hoeveel van wat wij als intelligent, creatief of oorspronkelijk menselijk gedrag beschouwen, zou je ook kunnen verklaren als geavanceerde patroonherkenning en voorspelling?
Van informatieverwerking naar voorspelling?
Misschien wordt de dominante psychologische metafoor van het AI-tijdperk daarom niet: de mens als kunstmatige intelligentie. Misschien wordt hij subtieler: de mens als voorspellend systeem. Een systeem dat voortdurend patronen leert, verwachtingen vormt, fouten corrigeert, context gebruikt en op basis van eerdere ervaringen probeert te voorspellen wat hierna komt. Dat raakt aan hedendaagse ideeën over het brein als voorspellend systeem, zoals we die onder andere terugzien in het werk van Lisa Feldman Barrett.
Met de opkomst van AI verschuift onze vraag. De computermetafoor vroeg: hoe verwerkt een mens informatie? De AI-metafoor zou ons kunnen laten vragen: hoe construeert een mens op basis van eerdere ervaringen voortdurend een waarschijnlijke werkelijkheid?
En dan worden begrippen als context, training, feedback, bias, generalisatie en leren opeens psychologische metaforen. En dat gebeurt nu al in onze dagelijkse taal. Mensen hebben een “bias”. We moeten iemand “herprogrammeren”. Onze mentale “bandwidth” is op. We zitten in een “feedback loop”. We moeten onszelf “updaten”. En tegenwoordig zelfs: welke data heb jij eigenlijk gebruikt om jezelf te trainen? Technologische taal kruipt ongemerkt ons mensbeeld binnen.
Maar AI kan ons ook op een andere manier veranderen
Misschien gaan we AI niet alleen gebruiken om te ontdekken waarin we op machines lijken. AI dwingt ons ook om opnieuw te bepalen waarin we geen machine willen zijn.
Als een AI razendsnel teksten kan produceren, wordt snelheid misschien minder interessant. Als AI enorme hoeveelheden informatie kan verwerken, wordt kennis reproduceren misschien minder onderscheidend. Als AI perfecte zakelijke teksten schrijft, kan een enigszins onvolmaakte menselijke stem juist waardevoller worden. Als AI kan optimaliseren, wordt de vraag belangrijker wat we eigenlijk willen optimaliseren. En als machines steeds beter worden in het beantwoorden van vragen, neemt misschien juist de waarde toe van degene die een interessante vraag kan stellen.
Dat zou een fascinerende omkering zijn. Eeuwenlang gebruikten we onze beste machines om te begrijpen wat een mens is. Nu bouwen we voor het eerst machines die een deel van onze cognitieve prestaties kunnen evenaren of overtreffen. Daardoor kan de centrale psychologische vraag veranderen van hoe werkt de mens? naar wat willen we dat mens-zijn betekent?
En daarmee komen we vreemd genoeg weer terug bij Plato. Niet bij de vraag hoe krachtig de paarden zijn (de rede en de begeerte die hij in de Phaedrus als het span voor de wagenmenner beschreef). Maar bij de vraag: wie houdt de teugels vast, en waar willen we eigenlijk naartoe?
Dat zou weleens de belangrijkste psychologische vraag van het AI-tijdperk kunnen worden.
Wat betekent dit voor leiders, HR en coaches?
En daar zit voor organisaties misschien wel het grootste risico. Onze metaforen bepalen niet alleen hoe we mensen begrijpen, maar ook wat we bij mensen proberen te verbeteren. In het industriële tijdperk lag de nadruk op efficiëntie en standaardisering. In het computertijdperk op informatieverwerking en productiviteit. Wat gebeurt er als we in het AI-tijdperk vooral snelheid, output en optimalisatie als maatstaf voor mensen gaan gebruiken?
AI verdiept dit vraagstuk: voor het eerst kijken we in een technologische spiegel die we deels zelf hebben gebouwd. En voor het eerst kunnen we, voordat de metafoor zich ongemerkt in onze taal en ons zelfbeeld nestelt, bewust kiezen welke vragen we ermee willen stellen. Niet alleen: “hoe werkt de mens en hoe maken we hem efficiënter?”, maar ook: “wat willen we dat mens-zijn blijft betekenen als een machine steeds meer kan overnemen?
Voor wie leiding geeft aan mensen tijdens deze transformatie is dit denk ik veel meer dan een filosofische vraag. Het is de cruciale vraag die bepaalt of AI in jouw organisatie gaat voelen als bedreiging voor wat mensen waardevol maakt, of als aanleiding om mensen te ondersteunen zodat zij meer kunnen gaan floreren met AI.
Misschien is dat wel de opdracht voor leiders in het AI-tijdperk: niet alleen onderzoeken welke menselijke taken AI kan overnemen, maar vooral welke menselijke kwaliteiten we willen versterken. Niet mensen steeds meer op machines laten lijken, maar machines gebruiken om mensen meer mens te laten zijn.
Daar wil ik de komende jaren actief aan bijdragen. Niet vanaf de zijlijn, maar met mijn voeten in de modder: onderzoeken, experimenteren, fouten maken en samen met mensen en organisaties ontdekken hoe AI ons niet alleen productiever kan maken, maar vooral ook autonomer, competenter en betekenisvoller kan laten werken. Kortom: hoe we kunnen floreren met AI.
Bronnen:
Hippocrates & Galen – The Four Humors, Health Psychology (Lumen Learning)
“Freud compared the brain to a steam engine” — Metaphors of the Mind, University of Virginia
Releasing the Pressure: A Dive into Freud’s Hydraulic Model of the Mind
Large language models as models of human cognition: limits and pitfalls — arXiv (2402.04470)


